menu language

   'Alle gevoelens rechtvaardigen zichzelf en lijken zolang we ze voelen in redelijke verhouding te staan tot hun voorwerpen.'  - Nicolas Malebranche  

DIALECTIEK VAN DE EMOTIES

Een emotie is een hartstochtelijk debat. Voelen is nooit heviger dan wanneer twee tegengestelde gevoelens elkaar in vraag stellen en ons dwingt hartverscheurende of - brekende keuzes te maken. 'Stel je voor', zegt Jankélévitch in Le paradoxe de la morale (1981): 'twee geliefden die niet in staat zijn gescheiden noch samen te leven, de ene kan niet met noch zonder de ander, en elkaar aantrekkend, stoten ze elkaar weer af.' 

Dialectiek helpt om begrippen van elkaar te onderscheiden en aldus beter te definiëren. Deze logica werd bedacht door Plato die zei dat 'elk waarlijk weten voortkomt uit het tegelijktijdig kennen van de tegendelen'. Ook Spinoza vond dat iets maar bepaald kon worden als het door zijn tegendeel ontkend wordt, en beschreef zodoende de gevoelens in paren van tegengestelden. 

Dat dialectische grondbeginsel werpt een ander licht op wat een emotie is: de plotse confrontatie tussen twee tegengestelde gevoelens, of zoals Nicolaus Von Keus het noemde in  De docta ignorantia:  'coincidentia oppositorum', het samenvallen van de tegendelen.

In het dialectische systeem zijn 72 paren van tegengestelde gevoelens ondergebracht in 18 categorieën van gevoelsoorzaken. Elk paar (positief en negatief) duidt aan als iemand meer (>) of minder (<) dan passend reageert, of verdiend (M) dan wel onverdiend (I) handelt. Het dialectische systeem toont aan dat de gevoelens oordelen en motiveringen signaleren. De meeste gevoelens bepalen immers de verhoudingen tussen persoonlijke standpunten en sociale regels.

De betekenis van het Engelse woord proper (1. wat van iemand is, aan iemand toebehoort of eigendom is van, 2. wat hoort, wat sociaal aanvaardbaar, aangenaam of passend is voor de personen die betrokken zijn in een bepaalde situatie), is van het grootste belang voor onze voelende lichamen, en richtinggevend voor moreel of deugdelijk handelen. Gevoelens werken zowel normvormend als normbekrachtigend en beslissen vaak over de in- of uitsluiting van mensen of hun handelingen.

Het thema van het gevoelsmatig beoordelen over de gepastheid van handelingen werd voor het eerst aangebracht in The theory of moral sentiments (1759) van Adam Smith, die beter bekend is als de auteur van The wealth of the nations (1776) en als de grondlegger van de economische wetenschappen. Misschien vervullen gevoelens juist een economische functie in sociale systemen doordat ze iemands verdienste of verlies voor de groep afwegen. Mensen, geplaatst in hun morele samenlevingen, zullen vlug geneigd zijn het goed of slecht gevoel dat iemand door zijn gedrag of handelingen oproept, te beoordelen in het licht van de geldende normen.  Je normenweegschaal is maar beter goed geijkt, en min of meer afgesteld op die van anderen!  Omdat een emotie een directe confrontatie is van 2 tegengestelde gevoelens, bepalen we op emotionele momenten onze positie te midden van twee tegenpolen (zie ook Thomas van Aquinus over het juiste midden). Alle minima en maxima hebben een harmonieus midden.

Alle sociale gevoelens gaan over overeenstemming, onenigheid of onevenredigheid, zegt Adam Smith. Sociale opvoeding en regulering zouden niet mogelijk zijn zonder een reeks van signalen die communiceren als iemand zijn gedrag moet aanpassen in het belang van de groep, of als iemand bijvoorbeeld geëerd of berispt moet worden: dat is nu precies waarvoor gevoelens dienen.

Spinoza (Ethiek, 1677) was de eerste om een lijst van (16) paren van tegengestelde gevoelens te beschrijven en deze te linken aan specifieke gevoelsoorzaken, zij het verwachtingen of relaties. In het dialectische systeem zijn nog meer paren in meer categorieën van gevoelsoorzaken ondergebracht. Bovendien werden de gevoelens geplaatst in een tabel die de normatieve theorie van Adam Smith weergeeft.  De meeste categorieën (9) hebben een bepaalde verhouding tussen twee personen als onderwerp, een tweede groep (6) categorieën hebben verwachtingen als onderwerp, en een derde groep (3 categorieën) linken bepaalde gevoelens met louter cognitieve functies, zoals verbeelding, betrokkenheid en beslissingskracht. Voor al deze onderscheidingen heeft onze taal specifieke woorden en benoemt dus evenveel gevoelens die meestal nog eens zijn af te lezen uit welbepaald gedrag of eigen gelaatsuitdrukkingen.

Het beperkt aantal basisemoties (zowel Descartes en Darwin hadden er 6, maar telkens verschillende!) is niet voldoende om dynamische patronen tussen de gevoelens uit te tekenen. De 144 gevoelstermen in het dialectische systeem tonen aan dat onze woordenschat en (dus) de waaier van gevoelens immers veel verfijnder en betekenisrijker is.

Elk van de 144 trefwoorden kan bovendien opgezocht worden na het oplossen van 3 tot 5 meerkeuzevragen  

Omdat zowel de omstandigheden waarin gevoelens ontstaan zeer verscheiden zijn en bovendien nog eens persoonlijk én cultureel bepaald zijn, is het gebruik van gemeenschappelijke (goed te vertalen!) woordenschat een noodzakelijke standaard. Het streefdoel van zo'n taalkundig model is niet literair, maar wil verloren betekenissen heropvissen.

+ -
PERSONA < verheerlijkt > vernederd
(persoonlijk) > trots < beschaamd
interior M zelfvoldaan M berouwvol
I gevleid I beledigd
.
< opschepperig > belachelijk
> lovend < verwerpelijk
exterior M bemind M haatdragend
I jaloers I verfoeilijk
.
< uitdagend > schuw
> ontroerd < gegeneerd
participatio M waardig M geschokt
I verlegen I brutaal
.
IMITATIO < bescheiden > ambitieus
(relaties zonder contract) > neerbuigend < meewarig
meerwaardig M medelijdend M leedvermakend
I barmhartig I afgunstig
.
< edel > arrogant
> gecharmeerd < geïntimideerd
minderwaardig M toegewijd M spotlustig
I toegeeflijk I koppig
.
< bereidwillig > balorig
> welwillend < boosaardig
evenwaardig M genereus M verontwaardigd
I dankbaar I ondankbaar
.
CONCORDIA < mild > streng
(relaties met contract) > verdraagzaam < onuitstaanbaar
meerwaardig M liefdadig M wedijverig
I genadig I wreed
.
< braaf > stout
> scrupuleus < achteloos
minderwaardig M zachtmoedig M woedend
I verzoenend I twistziek
.
< gehoorzaam > opstandig
> verbonden < strijdlustig
evenwaardig M rechtvaardig M wraakzuchtig
I loyaal I verraderlijk
.
TEMPUS < hoopvol > bang
verwacht > vertrouwend < wantrouwig
onvoltooid M trouw M ontrouw
I verlangend I missend
.
< moedig > schijterig
onverwacht > voorzichtig < overhaast
onvoltooid M vermetel M lafhartig
I onverschrokken I bevreesd
.
< opgelucht > teleurgesteld
onverwacht > betoverd < ontgoocheld
voltooid M verheugd M spijtig
I boffend I verdoemd
.
< bevredigd > gefrustreerd
verwacht > vol < beu
voltooid M tevreden M misnoegd
I gelukkig I verbitterd
.
< sereen > angstig
bevestigd > belovend < onthutst
onvoltooid M volhardend M gelaten
I verzekerd I verbijsterd
.
< nostalgisch > wrokkig
bevestigd > triomfantelijk < verslagen
voltooid M geborgen M wanhopig
I troostend I ontmoedigd
.
COGNITIO < verbaasd > verachtelijk
> verwonderd < ongelovig
verbeelding M eerbiedwaardig M afgrijselijk
I schamper I kruiperig
.
< boeiend > vervelend
> bezorgd < verwaarloosd
betrokkenheid M geïnteresseerd M onverschillig
I bekommerd I onbezorgd
.
< gewaagd > aarzelend
> veeleisend < capricieus
beslissing M vastberaden M twijfelachtig
I overtuigd I verrast

DE PERSOONLIJKE GEVOELENS

Alle gevoelens zijn natuurlijk « persoonlijk » maar hier hebben we het alleen over gevoelens die veroorzaakt worden door de beschouwing van « personen » en hun macht om te handelen. De achting die men heeft van zichzelf, of het beeld of de idee dat men van anderen heeft, zijn het onderwerp van de meest duurzame maar tevens meest delicate gevoelens.

De gevoelens veroorzaakt door de beschouwing van zichzelf (interior) : trots,  zelfverheerlijking, gevleidheid en zelfvoldoening, en hun negatieve tegengestelden : schaamte,  vernedering, belediging en berouw, hebben allen te maken met onze macht om te handelen. Wanneer ze allen het resultaat zijn van een bewustzijn van de eigen kwaliteiten, zijn ze ook sociaal ingesteld, omdat ze nagaan hoe anderen ons (zouden kunnen) zien en eveneens hoe we zouden willen dat anderen ons zien. Dat veronderstelt een dubbele beheersing: enerzijds de toepassing van de kwaliteiten die men heeft en anderzijds de controle over de waarneming daarvan door anderen. Centraal staat iemands potentieel, zijn kunnen.

Bij de gevoelens die veroorzaakt worden door de voorstelling van de ander (exterior) staat niet het kunnen centraal maar het willen. Hoewel de belangeloze en onvoorwaardelijke als de onmogelijke liefde thema’s van de romantiek zijn, is een bestaansvoorwaarde voor liefde hoe dan ook dat men volkomen geïnteresseerd is in de ander en dat dit willen het best ook wederzijds is. De liefde is de beschikking het goede te willen van een persoon die men als goed aanvoelt. De liefde is de ander willen, liever dichtbij dan veraf. Men wil eenheid ondanks de verschillen. Het Spaans gebruikt eenzelfde woord voor liefhebben en willen: quierer. Te quiero. Ik heb je lief dus ik wil je. En ik wil je dus heb ik je lief.

Liefde, jaloezie, lof en aanmatiging, de gevoelens die veroorzaakt worden door de voorstelling van de ander (exterior) onderscheiden zich door de wil. Hoewel, wanneer we hun tegengestelde, negatieve gevoelens overlopen: verwijt, haat, hoon en verfoeiing, wordt het duidelijk dat onze macht in andermans handen ligt. Door haat voelt men hoezeer een andere persoon er in geslaagd is onze macht aan banden te leggen om ons zelfs te beschadigen. Een keer dat onze macht erg beperkt wordt, willen we niet meer weten van zulke liefde.

Na wat men wil en kan door liefde is er nog wat men moet of verplicht is aan de liefde. In de laatste categorie (participatio) staat het publiek vertoon van menselijke waardigheid centraal. De liefde voor het pre-individuele en het postume, voor de embryo of de onbekende soldaat, de erkenning van ouderen en voorouders die men niet persoonlijk gekend heeft, maar door hun inspanningen ons leven mogelijk of makkelijker gemaakt hebben. Het is liefde waarvan we getuigen in gemeenschap, bij familie, op feesten en feestdagen, door het houden van ceremonies en rituelen, zelfs door voorstellingen, tentoonstellingen en betogingen.  Het is de liefde die we cultiveren tijdens de minuut stilte, de performances in collectief, die de macht hebben te ontroeren. Tegenover onbeschoftheid, gène, geschoktheid en brutaliteit staat schuwheid, ontroering, waardigheid en verlegenheid.

Door de interactie tussen de drie werkwoorden kunnen (beheersing), willen (liefde) en moeten (erkenning), reflecteren we over onze persoonlijke waarde. Wanneer we de weg alleen afleggen, anderen kruisen, of ons temidden van een massa bevinden, met dezelfde hoogachting geven onze gevoelens verslag van deze ontmoetingen. 

DE RELATIEGEBONDEN GEVOELENS 

In elke samenleving of samenwerking, klein of groot, hangt het bevestigen van de bestaande normen of het vormen van nieuwe normen nauw samen met (subtiele of bruuske veranderingen in) die hiërarchische orde. Daar wij steeds aangewezen zijn op de heersende norm en haar vertegenwoordigers, is onze gevoelswereld daar van nature op afgestemd.  Onze gevoelens verschillen dus naargelang 1. we een meerder-, een minder- of een evenwaardige positie innemen, 2. er al dan niet sprake is van een bindend contract, en 3. de inschatting van het gedrag of de handeling die het gevoel heeft veroorzaakt, ten opzichte van de gangbare norm (cfr. het dialectische systeem).

Bepalen of iemand meer- of minderwaardig is, ligt niet altijd voor de hand. Vaak gaat het over specifieke kwaliteiten in specifieke omstandigheden, waarin de een nu eens uitblinkt, dan weer onder doet. Wat het bestaan van contracten, akkoorden of overeenkomsten betreft, is er niet altijd duidelijkheid. Meestal zijn afspraken onuitgesproken: worden we verondersteld bepaalde gewoontes trouw te blijven, of gedragscodes, die evolueren met de groep of de samenleving, na te leven. 

Relaties zonder contract gaan doorgaans vooraf of voorbij aan de vorming van een "maatschappij". Niet de gestelde trouw aan afspraken (uniformiteit) is belangrijk, maar complimentariteit of compatibiliteit met het geheel of de ander (uniciteit). De waardering van elkaars kwaliteiten hangt af van hun rijkdom of schaarste. De persoonlijke kwaliteiten zijn onvergelijkbaar maar onmisbaar. Zoals in de ruilhandel, die de monetaire handel voorafging, kan men hout tegen zout uitwisselen. Bergbewoners brengen hout mee om het voedsel te koken, kustbewoners geven in ruil zout om het voedsel te kunnen bewaren. De competitie in relaties zonder contract bestaat niet in de assimilatie van gebruiken en gewoonten, maar in de simulatie van de meest gegeerde kwaliteiten. Hoe moeilijker de kwaliteiten na te bootsen zijn, hoe dierbaarder ze zijn. De gevoelige kern van relaties zonder contract (imitatio) is begunstiging. 

In relaties onder contract waardeert men het gedrag in functie van het algemeen belang. Men moet immers voldoen aan eenzelfde regel, en de verdiensten worden in gelijke munt uitbetaald. In relaties onder contract maakt men abstractie van de persoonlijke of unieke kwaliteiten, om de samenleving voor iedereen leefbaar te maken. Dat zorgt voor rechten en plichten, voor beloningen, maar ook voor schuld en boete.  Relaties onder contract zijn daarom ontvankelijker voor geweld. Als de opoffering van de persoonlijke voordelen niet zoals afgesproken beloond worden, kan het gevoel van onrechtvaardigheid of frustratie snel omslaan in geweld. De gevoelige kern van relaties met contract (concordia) is rechtvaardigheid. 

De respectievelijke gevoelscategorieën communiceren met elkaar. In relaties onder contract kan men nog altijd informeel zijn. Anderzijds zullen de hiërarchische verhoudingen in relaties zonder contract vaak leiden tot het vormen van een maatschappij, waarin de personen met de meest gegeerde kwaliteiten (de naleving van) de normen stellen (of verzekeren). In relaties zonder contract worden de hiërarchische verhoudingen gevormd door ieders dispositie om eerbied te tonen (superieur), zich op te offeren (inferieur) of zich gunstig op te stellen (gelijkwaardig). In relaties onder contract volgen de gevoelige disposities uit de hiërarchische structuur: gezag (superieur), volgzaamheid (inferieur) en dienstbaarheid (evenwaardigheid). 

DE TIJDSGEBONDEN GEVOELENS

Er zijn heel wat gevoelens die enkel verband houden met al dan niet ingeloste verwachtingen. Zullen onze verwachtingen uitkomen? Wat als er onverwachtse omstandigheden opduiken? Wat voelen en denken we als iets slaagt, mislukt, of men iets vergeet te doen of iets verkeerds doet? Fouten maken is menselijk.  Er spijt over voelen is echter de eerste stap om het de volgende keer beter te doen, althans niet weer dezelfde fout te maken en om met andere woorden uit de gemaakte fouten te leren.

De Amerikaanse psycholoog Neal J. Roese (1997) stelt dat bij het gevoel spijt een mentaal proces op gang komt waarbij men over handelingen uit het verleden nadenkt hoe ze zijn kunnen gebeuren en meerbepaald hoe ze (beter) hadden kunnen verlopen. Dat proces noemt hij in navolging van Nobelprijswinnaar Kahneman & Miller (1986) counterfactual thinking, denken tegen de feiten in, dat aanvankelijk werd bestudeerd bij processen van sociale vergelijking. Toegepast op de categorie van tijdsgebonden gevoelsoorzaken (Tempus, in het dialectische systeem) zetten de gevoelens een dialectische manier van denken op gang om na te gaan welke alternatieve handelingen er zijn of waren.

Hoewel spijt een negatief gevoel is, is het op lange termijn functioneel omdat het besef dat dingen verkeerd liepen ons doet afvragen hoe de toestand weer gecorrigeerd of genormaliseerd kan worden, hoe onherstelbaar groot de schade en hoe onherroepelijk de gebeurtenissen ook mogen zijn. Spijt voelt men bij voltooide handelingen met een negatieve uitkomst, en vooral als 1. onverwachts van de normale gang van zaken werd afgeweken, 2. als er werd gehandeld toen dat onwenselijk was, of omgekeerd als er niet werd gehandeld terwijl dat aangewezen was en 3. wanneer men de gang van zaken had kunnen controleren of bijsturen. Roese stipt daarbij nog aan dat de grootte van het gevoel van spijt in een evenredige verhouding staat tot de grootte of het aantal van de gelegenheden die er waren om de negatieve uitkomst alsnog te vermijden. 

Het gevoel van spijt (negatief gevoel bij onverwachte en voltooide actie) vindt zijn tegenhanger in het gevoel van vertrouwen (positief gevoel bij verwachte en onvoltooide actie). Het gevoel van vertrouwen leeft als men bij het uitvoeren van handelingen (eventueel noodgedwongen) niet aanwezig kan zijn of als men zich dermate baseert op de normale gang van zaken, dat men het niet nodig acht om het verloop te controleren of (eventueel preventief) in te grijpen.    

Het is duidelijk dat tegenfeitelijk denken niet alleen plaatsvindt bij voltooide handelingen (spijt, opluchting, teleurstelling, wrok, tevredenheid, gevoelens bij verlies of succes), maar ook bij onvoltooide handelingen (hoop, wanhoop, frustratie, moed, geborgenheid, angst), namelijk bij het bedenken en tegen elkaar afwegen van worst & best cases, en het uitschrijven van scenario's en recepten voor efficiënt toekomstig gedrag.

Volgens Roese kan de emotionele ervaring zowel de oorzaak als het gevolg zijn van tegenfeitelijk denken. Het is een mentaal proces dat ons doet wikken en wegen, "a normally functionial process of checks and balances", dat de mogelijke oorzaken of gevolgen van ons handelen scherper doet stellen. In de loop van onze projecten zijn tal van scenario's en uitkomsten mogelijk. In die context is het maar normaal dat onze gevoelens precies aangeven op welk punt en moment ons project aanbeland is, en signaleren welke scenario's een positieve of negatieve uitkomst (gehad) kunnen hebben.

DE SCHEPPENDE GEVOELENS

De verbeelding van wat mogelijk is, de interesse voor wat belangrijk is en de vastbeslotenheid om er voor te gaan wanneer wat belangrijk is plots mogelijk wordt, vormen de categorieën van gevoelens die, indien ik een wetenschapper was de “cognitieve” gevoelens zou noemen, als geestelijke de “spirituele” en als filosoof de “conatieve” gevoelens zou noemen. Maar omdat ik een kunstenaar ben noem ik ze maar de “creatieve” of scheppende gevoelens. Omdat het door deze gevoelscategorieën is dat men overgaat van waarneming/ perceptie naar conceptie/ ontwerp, zowel in de kunsten als in het leven.

De godsdienst, filosofie en de wetenschappen, zowel mede- als tegenstanders in beschouwingen over het bestaan, het leven en de natuur, proberen onophoudelijk de grondwetten te beschrijven en te bepalen, met als enige doel het leven beter te ontcijferen. Het zijn metafysische lezingen die uitnodigen tot zelfbeschouwing, overdenking en onderzoek, die een ruime kijk op de dingen nastreven, afstandelijkheid van de toeschouwer en objectiviteit van het absolute. Omdat over de gevoelens dikwijls gezegd wordt dat ze té particulier, té onmiddellijk en té impulsief zijn, hebben ze in deze disciplines nooit een centrale rol gekregen. Dat is vreemd, want het zijn nochtans altijd de creatieve gevoelens die ons leiden en sturen op cruciale momenten.

Een eerste functie van onze waarneming probeert de authenticiteit van de dingen juist in te schatten. Is iets reëel, fictief of misleidend ? Wanneer niets is zoals het schijnt, kan men daar zicht op krijgen via de gevoelens die behoren tot de categorie van de verbeelding, in positieve zin: verbazing, verwondering, minachting, eerbiedwaardigheid, en in negatieve zin: misprijzen, kruiperij, ongeloof en  afschuw. In de kunsten, zowel als toeschouwer als kunstenaar, maakt men er zonder gevolgen gebruik van omdat kunst nutteloos is. In het leven daarentegen is het kennen van authentieke kwaliteiten een begin van waardering van personen, voorwerpen, prestaties, ideeën. En dus schat de verbeelding eerst in wat ze meent te zien en verleent ze op deze manier een zekere macht en charisma aan de dingen.

De tweede categorie van de scheppende gevoelens betreft condities (omstandigheden/ voorwaarden) die men wil (behouden) en meet onze betrokkenheid daaromentrent. Het gaat over personen of dingen die men rond zich wil (behouden). Men is bereid er tijd, aandacht en kracht in te investeren. Het is wat ons interesseert (lat. inter-esse: tussen de dingen zijn), wat belangrijk is. Men kan het op positieve wijze voelen door interesse, bezorgheid, bekommernis en fascinatie - op negatieve wijze door verveling, onverschilligheid, verwaarlozing en gemakszucht.

Door de vastbeslotenheid tenslotte, de derde categorie van scheppende gevoelens, beslist men te verkrijgen wat eerbiedwaardig en essentieel is. Bij de werkwoorden kunnen en willen sluit zich nu het werkwoord moeten aan. Men kan zichzelf au sérieux nemen (geloven wat men anderen wil doen geloven) – of niet, vanaf een zeker ogenblik moet men echter overgaan tot het leveren van bewijs. In positieve zin kan men bevestigen door zijn overtuiging, veeleisendheid, vastbeslotenheid en gewaagdheid - in negatieve zin stelt men zich in vraag door twijfel, grilligheid, verrassing en aarzeling.

Het samenvallen van deze drie categorieën, de drie werkwoorden willen, kunnen en moeten, doen dus wat geen enkele godsdienst, filosofie of wetenschap in de plaats kan: zin geven aan wat er hier & nu gebeurt en tot gepast handelen overgaan. Dat is wat ik “scheppen” noem.

HET MECHANISME VAN DE EMOTIE 

Na de uiteenzetting van de 48 relatiegebonden gevoelens en de 48 tijdsgebonden gevoelens is het zaak om het mechanisme te begrijpen dat zich in gang zet wanneer men een emotie voelt. Mechanisme ? Van de eerste verschijning van een emotie zijn we ondersteboven, een verwarring van betekenissen die ons perplex doet staan. Alles dat stukje bij beetje betekenis gaat krijgen, tolt nog in alle richtingen zoals de wijzer van een kompas wanneer we die net bovenhalen. De emotie – eerder gedefinieerd als het conflict tussen twee tegengestelde gevoelens - is de dringende twijfel over onze belangen. We moeten ons zo snel mogelijk oriënteren en onze plaats ergens herkennen. Want de impact van het evenement dat ons overkomt kan essentieel of willekeurig zijn, het kan komisch of tragisch zijn. En dus is de emotie die we nodig hebben om uit die toestand te geraken een zeer gevoelig mechanisme.

Dit zijn de drie fases van de emotie. Ze begint dus door het door elkaar halen van elke mogelijke zin. Vervolgens neemt ze de maat van de verhouding tussen de twee tegengestelde gevoelens die ons in staat zal stellen de ruimere dimensies van het geleefde te kennen. Uiteindelijk zal de doorleefde emotie de betekenis van de verhouding tussen de tegengestelde waarden bijstellen, door de balans van de voor- en nadelen die volgen uit de nieuwe situatie, op te maken.

Ondersteboven zijn is de initiële fase, het begin van de emotie. Het is de indruk die aan het belang voorafgaat. Het is de vaststelling van de verandering, de verrassing door het tegendeel van onze overtuiging, die de vertrouwde betekenissen onderuit haalt. Maar deze toestand zou niet te lang mogen duren, wil men de kwestie niet helemaal negeren, en het is zaak de aanleiding van de verandering te kennen en te weten welke kwestie er de oorzaak van is. Wat de balans heeft doen overhellen of overslaan, daar wil men snel de eigenaardigheden en de voorstellen van kennen.

De emotie behandelt de verhouding tussen twee tegengestelde gevoelens, die nu beduidend veranderd is. Zoals de armspieren die een voorwerp in de hand wegen, vergelijkt men het minimum en maximum gewicht door ze met elkaar te contrasteren. Immers voor elke beweging die het lichaam kan uitvoeren, is er één spier die zich opspant en een andere die zich tegelijkertijd ontspant. Op een analoge manier is er voor elk motief dat de mens kan hebben, een gevoel die het voordeel en een ander gevoel dat het nadeel van een situatie aangeeft. Men onderschat en overschat en door de idee van de minimale en het maximale impact te benaderen, raadt men de exacte draagwijdte van de verandering. 

Als men de ware maat proefondervindelijk neemt door de tegengestelde waarden te vergelijken, dan is dat omdat de emotie altijd het naast elkaar bestaan van twee elkaar tegensprekende waarheden als voorwerp heeft. Wanneer het onvermijdelijk is dat men volgens één enkele waarheid leeft en dat men maar één enkele waarheid kan aanvaarden, is het in elke emotie per definitie zo dat twee waarheden elkaar afwisselen. De emotie is er om ons de andere waarheid te laten aanvoelen, de waarheid van het Andere, heel wel mogelijk maar onverenigbaar met de eerste waarheid. We brengen Spinoza in herinnering die het volgende axioma stelt: “Grondwaarheid I: Wanneer in eenzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen wordt opgewekt, moet noodzakelijk of in beide, of in een daarvan een verandering plaats grijpen, totdat zij ophouden tegenstrijdig te zijn.“  (Ethica, V). Het is dus door de tegengestelde gevoelens dat de twee waarheden elkaar bestrijden tot één van de twee zich aan de ander opdringt. De emotie is logica in volle uitvoering.

De gevoelens bevinden zich tussen de emotie en de rede, als bemiddelaar, als middel om de evenementen te beoordelen. De derde fase van de emotie beschouwt de belangen die op het spel staan en definieert de limieten van het aanvaardbare. Men wordt aangezet om te begrijpen welke limieten overschreden worden, om welke waarheden in de praktijk te brengen?  Wie wordt aangezet om wat te doen en om welke legitieme motieven ? Tenzij de vijandelijkheden tussen de tegengestelde gevoelens ophouden te bestaan, minimaliseert of maximaliseert men verder het belang van de limieten. Of men nu opportunistisch dan wel principieel is, men zal zijn emotie alleen dan oplossen wanneer de rede de gevoelens teruggebracht zal hebben tot een juiste, redelijke verhouding.

De emotie is een binair systeem, zoals de sinusoïdale functie bij trillingen, de focale as in de optica en de geometrie, de ironie in de taalkunde, en de spieren met tegengestelde functie van het menselijk lichaam. De tegengestelde referentiepunten staan in een wederzijdse beweging. Aan de basis van het mechanisme van de emotie ligt een dialectiek die vergelijkbaar is met andere fenomenen die kunnen dienen als voorbeeld of nog om te weten tot op welke hoogte de fysieke, de logische, de wiskundige, de taalkundige en de magnetische wetten of wetmatigheden van nut kunnen zijn bij de vertaling van het half-mentale half-fysieke proces die de emotie is.

DE ONVERDIENDE GEVOELENS 

Dat men zich afvraagt of men iets verdient (hetzij een voordeel, hetzij een nadeel) is evident gezien de 144 gevoelens die in verband staan met normen. In het dialectische systeem vormen de 36 “onverdiende” gevoelens die worden veroorzaakt door een plotse afwezigheid van de normatieve referentie een groep “buiten categorie”. De referentie (de norm, de wet) waarop men zich baseerde, werd immers genegeerd, verblind of bedrogen. 

Misschien hebben de onverdiende gevoelens minder te maken met gerechtigheid en des te meer met het Lot en beoordelen ze dus niet wat (min of meer) juist is maar eerder wat ons willekeurig overkomt. Bij rampen en tragedies gaan we meteen na of ons lot het gevolg is van een menselijke fout, van een natuurkracht of van een onbevattelijke, goddelijke wreedheid. Welk verband is er tussen (on-)geluk en toeval? Is er een systeem dat ons toestaat een herhaling van dat geluk uit te lokken of een herhaling van het ongeluk te voorkomen? Hoewel kansen of tegenslagen immense gevolgen kunnen hebben, is er niet noodzakelijk een aanwijsbare reden en nog minder een morele reden. Toeval beledigt of respecteert niet. Het geluk of ongeluk is niet het goede of kwade dat ons overvalt.

Maar als we het heilige of het absurde van gebeurtenissen maar moeilijk verdragen – en vandaag hebben we maar weinig zin om gebeurtenissen in verband te brengen met de wil, de woede of de wraak van de goden zoals men dat vroeger deed – zullen we geneigd zijn om meer profane redenen te zoeken, van menselijke of wetenschappelijk aard, waarom we niet volgens onze verdiensten behandeld werden. Op dat punt heeft de religieuze toewijding plaats gemaakt voor een even spirituele en bewonderenswaardige beschouwing van kleine en grote waarden. Wat men doorgaans onverdiend vindt, is in de meeste gevallen te wijten aan een manifest gebrek aan respect voor risico’s, kwaliteiten, gebruiken, bezittingen, de status en eer van personen, de mening of het leven van de ander etc.

Wat is waardevol in het leven ? Alles dat omgeven wordt met een aura dat men verstoort  als men haar waarde of belang miskent, negeert of misprijst. Wezens die nog geboren moeten worden of op sterven liggen, soorten die niet sterk genoeg zijn om zich te beschermen, niet met genoeg zijn om zich te verdedigen, relaties of situaties die studie en voorzichtigheid vereisen voor men ze aangaat, een gegeven woord, het ritueel, de opoffering, bezit, wat aan één iemand toebehoort, aan allen of niemand. Dat alles kan de oorzaak vormen van onverdiende gevoelens indien ze niet gerespecteerd worden. Niet gerespecteerd hebben of worden is vaak oorzaak van niet verdiend hebben. Uit respect is het verboden te vernietigen, te stelen of te verkrachten.

En als men om het even welke natuurlijke of humane creatie toch vervormt of afbreekt, beginnen de onverdiende gevoelens al de nieuwe werkelijkheid te vormen, alsook de nieuwe norm van die realiteit. Eerst probeert men uit te zoeken waarom de normatieve referentie bedrogen, verblind of genegeerd werd, waarom men zichzelf heeft bedrogen? Vervolgens zal men alles in het werk stellen om de eerste referentie alsnog te herstellen. Maar als de voorgaande norm ons in de steek heeft gelaten, zullen we ongetwijfeld een nieuwe norm volgen, de leidraad door een andere vervangen. Het is duidelijk dat de normatieve referentie onder vuur ligt en dat we moreel twijfelen. Deze dualiteit verklaart waarom de positieve onverdiende gevoelens soms geëvalueerd worden als negatief, zoals vleierij, jaloezie en verlangen en vice versa, waarom de negatieve onverdiende gevoelens soms als positief ervaren worden, zoals koppigheid en verbijstering, zelfs de wreedheid van oorlogen die men voert in God’s naam. 

Er is door het respect en de erkenning van de verdiensten een soort van morele schuldvordering die van één persoon op een ander overgedragen wordt, definieert Le Petit Robert voorzichtig. Wat is het leven waard ? Als geluk (le bonheur) niet volstaat om gelukkig (heureux) te zijn, ziehier dan de reden waarom de mens vooral zijn leven tracht te verdienen, zelfs indien hij ervan overtuigd is dat hij het bij louter toeval verkregen heeft.

PASSIONELE INTEGRATIE & REGULERING

De morele beoordeling van handelingen en toestanden wordt gemaakt a.d.h.v. normen & waarden. De normen steunen het gemeenschappelijke minimum, waarden streven naar het persoonlijke maximum. In principe zijn er dus twee moralen & twee aparte gevoelswerelden, waarvan de ene de complementaire competenties waardeert (de categorie Imitatio, in het dialectische systeem), de andere de gemeenschappelijke banden aanhaalt (de categorie Concordia).

Emilé Durkheim, een pionier van de sociologie, stelt op basis van deze tweeledigheid van de moraal, vier soorten zelfdoding voor: de egoïstische zelfdoding, wanneer de waarden te zwak zijn, de altruïstische zelfdoding, wanneer de waarden te sterk zijn, de anomische zelfdoding, wanneer de normen te zwak zijn, & de fatalistische zelfdoding, wanneer de normen te sterk zijn. Elke vrije keuze wordt in een sociale context gemaakt. Vele persoonlijke tragedies zijn een sociaal drama. De vier soorten types komen wellicht nooit in zuivere vorm voor, maar bevestigen hoe dan ook het “chiasme” waarop men de samenleving & het leven stoelt. Durkheim noemt in Suicide (1897) « l’attachement aux groupes et l’esprit de discipline » de twee dynamieken die de moraal vormen, met andere woorden, de sociale integratie & de normatieve regulering.

In de eerste dynamiek hecht men zich aan elkaar omdat beide partijen iets te bieden hebben wat de ander ontbeert. Men waardeert iemands  aanleg, talent, smaak, vakkennis & men bewondert zijn medelijden, toewijding en generositeit. In de tweede dynamiek staat de toepassing van gemeenschappelijk ontwikkelde regels centraal, voelt men aan of de gang van zaken, volgens de gangbare zeden, gewoonten, normen, plichten of wetten, rechtvaardig genoemd kan worden.

Durkheim stelt vast dat zelfdoding stijgt, wanneer de gemeenschap door elkaar wordt geschud, ongeacht of dit nu gebeurt door economische crisis of bloei. Terwijl de maatschappij in rustiger tijden een notie heeft van wat ieder, op basis van zijn verdiensten en functies, mag verdienen & verlangen, is ze bij plotse veranderingen niet meer in staat haar matigende functie uit te oefenen. De bestaande normen zijn vervaagd, irrelevant, voorbijgestreefd. Men weet niet meer wat rechtvaardig is, welke aanspraken legitiem zijn en welke verwachtingen buiten proportie. De consensus over de hiërarchie is teloor en men zoekt naar een nieuwe welzijnscoëfficiënt. De waardenschaal, waarin ieders staat van dienst geclasseerd wordt & ieders verlangens gelimiteerd, moet opnieuw geijkt worden. Durkheim schrijft ook dat wanneer de maatschappij zich in een dergelijke crisis bevindt, « l’esprit de dévouement de sacrifice devient le ressort moral par excellence et le fondement privilégié du lien social ».

Een eerste vaststelling is dat moord vaker voorkomt in ongelijke samenlevingen, terwijl zelfdoding vaker voorkomt in gelijkere samenlevingen (The Spirit Level, Wilkinson & Pickett, 2009). Dat strookt met de stelling van Durkheim dat zelfdoding een sociaal gegeven is. Dat het aantal zelfdodingen zich meestal omgekeerd evenredig lijkt te verhouden tot het aantal moorden, duidt op een naar binnen geslagen woede, een zelfverwijt. In gelijkere samenlevingen wijt men persoonlijk falen vaker aan de eigen gebreken en dicht men persoonlijk succes vaker toe aan toeval of het groepswerk, dan aan de eigen oordeelkundigheid. Succes wordt minder aangewend om zich boven de anderen te verheffen. Bescheidenheid & ingetogenheid dienen om de sociale banden te behouden, niet onnodig afgunst te wekken. Omdat men (beter) niet te koop loopt met zijn verwezenlijkingen of mislukkingen, en men minder laat uitschijnen tot welke klasse men zich rekent, loopt men meer genepen, geschift, schijnheiliger & vals bescheidener rond dan in uitgesproken ongelijke klassenmaatschappijen. 

In ongelijkere samenlevingen is er meer geldingsdrang en assertiviteit, maar eens men zijn plaats kent, legt men zich bij de status die daaraan vasthangt vlugger neer, en daarin gerust of gelaten is men in tijden van hevige bloei of crisis minder gevoelig voor heftige veranderingen. In een meer gelijke samenleving, waar de kloof tussen arm en rijk niet zodanig groot is, is het ongetwijfeld zo dat men meer kansen ruikt, krijgt, maar dus ook kan missen. Als de trein die men op een haartje mist, vertraging bleek te hebben of zelfs speciaal wachtte, is de ontgoocheling des te groter. Als de mensen uit de omgeving gelukkig lijken, het goed doen, heeft iemand met tegenslag of minder mogelijkheden het al moeilijker (Dark contrasts, Mary C. Daly, 2010). In tijden van bloei of recessie is men nerveuzer, daar de kans op een hiërarchische sprong of val veel groter is dan in ongelijke samenlevingen. 

Een tweede vaststelling is dat zelfmoord beduidend hoger ligt in die Europese landen waar de sociaal-economische verhoudingen niet stroken met de traditionele religie. Zo valt het op dat zowel gelijkere samenlevingen met een traditioneel horizontale godsdienst (protestanten, lutheranen), als ongelijkere samenlevingen met een traditioneel vertikale godsdienst (katholieken, orthodoxen), relatief lage zelfmoordcijfers hebben. Wanneer de sociaal-economische verhoudingen echter niet weerspiegelen, wat door de traditionele levensbeschouwing gecultiveerd wordt, liggen de zelfmoordcijfers plots veel hoger. Een vertikale godsdienst in een meer gelijke samenleving, staat als een tang op een varken. In Europa is dat onder meer het geval voor Finland, België en Frankrijk, die stevig de kop aanvoeren in de zelfmoordranking. 

Hiermee wordt niet bedoeld dat ofwel de traditionele godsdienst ofwel de inkomensverdeling van een land zijn burgers tot zelfmoord drijft, wel dat een combinatie van horizontaliteit en verticaliteit ontegensprekelijk meer zelfmoord voortbrengt. De synthese van de twee bovenstaande vaststellingen is dat verhoogde economische competitie (want in een gelijke samenleving zijn er meer gegadigden voor hetzelfde aantal plaatsen) gecombineerd met een religieuze nederigheid, een uiterst delicaat, gevoelig tot explosief gegeven is. Nu kan men zich niet zomaar, omwille van die hoge zelfmoordcijfers, tot een andere godsdienst bekeren of eens de inkomensverdeling drastisch hervormen. Het volstaat uit te leggen op welke manier de diverse normen en waarden die voortkomen uit ongerijmde systemen, de nodige levensruimte danig beperken, tot vervreemding en benauwens toe, en levensbedreigende dilemma's kunnen vormen. 

Hoe dunnetjes de scheiding tussen liefdadigheid en wedijver is, een paar van tegengestelde gevoelens nog wel, blijkt uit volgend fragment van "Pleidooi tegen gelijkheid" (2005), een tekst van psycholoog Paul Verhaeghe: "De pleidooien voor gelijkheid komen vanuit twee richtingen, enerzijds vanuit diegene die in de positie van de meerdere staat, anderzijds vanuit de omgekeerde positie, die van de mindere. Deze laatste groep wil aansluiting vinden bij de grote anderen. Dit willen gelijk zijn komt eigenlijk neer op een willen overtreffen, een nog beter willen zijn dan. Het beoogde resultaat is niet gelijkheid, wel een omkering van de posities, waarbij dezelfde structuur van meerdere en mindere behouden blijft. De tweede groep vertrekt vanuit een veronderstelde hogere positie en kijkt a.h.w. naar beneden, de samaritaanse caritas-reflex. Het venijnige hierbij is dat de meerdere die mindere inderdaad wil helpen, maar dan toch ook niet teveel, want helemaal gelijk aan die meerdere mag hij of zij nu ook niet worden. Gelijk aan ons, maar net niet helemaal, opdat het verschil zo maximaal mogelijk blijft (Lacan, 1986 & 1973)." 

In zeer ongelijke samenlevingen is de kans dat een mindere door zijn toewijding de meerdere op bespottelijke wijze gaat overtreffen, of dat de meerdere door zijn liefdadigheid de mindere tot zijn directe concurrent maakt, denkbeeldig. In meer gelijke samenlevingen is deze kans echter reëel.  Men kan het slachtoffer van zijn of haar goedheid worden, "te goed voor deze wereld zijn", zoals men zegt.  Economische wetmatigheden tarten religieuze wetten en omgekeerd.  Durkheims "morele discipline", waarmee hij aangeeft dat minderen en meerderen het moeten opbrengen elkaar te respecteren, is in een meer gelijke samenleving een strak aangehaald keurslijf. In economieën en religies die op elkaar rijmen, compenseren waarden en normen elkaar. In economieën en religies die niet met elkaar rijmen, verdrukken waarden en normen elkaar. 

conception Vertige asbl