menu language
N-W N N-E
W 0 E
S-W S S-E
N NE E SE S SW W NW

BEGERIG wie intens verlangt om iets te bezitten of te bereiken, gretig; wie sterk en hartstochtelijk verlangt; tegengestelde: gematigd  GULZIG snel en begerig; wie overmatig en schrokkend eet; Spinoza (XLV): ‘onmatige begeerte of ook wel liefde tot tafelgenot’; tegengestelde: beheerst  INHALIG schraapzuchtig; tegengestelde: onbaatzuchtig  HEBZUCHTIG wie vooral bezorgd is om zijn eigen belangen, behoeften of verlangens, zonder om te kijken naar de anderen; Spinoza (XLVII): ‘begeerte en en liefde tot rijkdommen’; tegengestelde: grootmoedig  GIERIG Gierigheid is de wortel van alle kwaad. (Nederland); De gierigheid bedriegt de wijsheid. (Nederland)  VREKKIG verlangen om rijkdom en goederen in te slaan en op te potten, alleen om ze te hebben en te bezitten  AFGUNSTIG wie zich op dezelfde hoogte wil hijsen van iemand die hij als zijn gelijke beschouwt; wie misnoegd is over het liefs, de achting of het aanzien die anderen genieten, of over datgene wat anderen kunnen of hebben; wie bedrukt is omdat iemand anders de voorkeur of het voordeel heeft, uitblinkt, pronkt of in de schijnwerpers staat; verwaand; verlangen om iemands kwaliteit eigen te maken; verlangen gemengd met bewondering en frustratie voor de successen of bezittingen van anderen; razernij over de eigen onkunde of mislukking; wie zich schaamt en minderwaardig voelt, ontevreden of onzeker is over de eigen persoon; wie lijdzaam ziet hoe de ander het beter doet of heeft; angstvallig verlangen om ergens voordeel of voorsprong uit te halen, die hij een ander misgunt; misnoegd omdat iemand anders voorgetrokken wordt; haat die gepaard gaat met verdachtmaking en geroddel; een hinderend gevoel dat de vreugde van het delen en het leven kan vernietigen; de eigenwaan is de oorsprong van de afgunst en uit haar ontspringt de haat en het geroddel: die kritiek uit om de ander te ondermijnen; wie wil maar niet beheerst wat iemand anders wel kan; wie een bezit begeert waarin een ander zich verheugt; wie in het geheim een ander benijdt en bewondert om iets waarvoor hij zichzelf onbekwaam acht; kritiek of sociale vergelijking waardoor men gekleineerd wordt; wie niet onder wil doen; de afgunstige is altijd afhankelijk van de anderen en lijdt onder hun succes; Spinoza (XXIII): ‘bedroefd over het geluk van een ander, en verheugd over zijn ongeluk’; ‘haat voor het geliefde onderwerp gekoppeld aan afgunst, heet jaloezie’; Thomas van Aquinus: ‘men beoordeelt andermans goed als slecht, als de eigen faam of uitmuntendheid daardoor een deuk krijgt’; Aristoteles: ‘de afgunstige wordt meer dan nodig gekweld door het succes van een ander, dus zelfs van iemand die terecht voorspoed heeft, terwijl hij vreugde voelt als iemand onverdiend tegenspoed heeft’; 'het is de opschepper die de afgunst opwekt, en uit haar ontspringt de haat en het geroddel'; één van de zeven hoofdzonden; Het oog is afgunstig, niet het oor. (Afrika); Afgunst kent geen rust. (Arabië); De kwelling van de afgunst is als een zandkorrel in het oog. (China); Als afgunst koorts opwekte was de hele wereld ziek. (Denemarken); Afgunst heeft nog niemand rijker gemaakt. (Engeland); Afgunst schiet op anderen en kwetst zichzelf. (Engeland); Afgunst is haar eigen folteraar. (Engeland); Het is beter het voorwerp te zijn van afgunst dan van barmhartigheid. (Marokko); Afgunst broedt zwanen uit bedorven eendeneieren. (Rusland); Afgunst ziet de zee maar niet de rotsen. (Rusland); tegengestelde: barmhartig  ANGSTVALLIG intens verlangen en ongeduld; onrustig en gejaagd om de uitkomst van een handeling te kennen

conception Vertige asbl