"De gevoelens van de hele mensheid zullen maatgevend zijn voor de moraal." - Adam Smith
DE ONZICHTBARE HAND
In The Theory of Moral Sentiments (1759) beschreef Adam Smith hoe vrijwel alle gevoelens zich verhouden tot de geldende normen. Pas zeventien jaar later publiceerde hij An Inquiry into the Nature and Causes of The Wealth of the Nations waarmee hij bekend werd als de grondlegger van de economische wetenschappen. Zelf zei Adam Smith dat The Wealth of Nations het logische vervolg is op de The Theory of Moral Sentiments. De economie zou dus draaien rond de heersende waarden, zoals de gevoelens draaien rond de heersende normen. Het onderwerp van een derde maar ongeschreven boek van zijn geplande drieluik verrast dan ook niet: de rechtspraak.
Om deugdzaam te handelen, moet men zich volgens Adam Smith gewoon laten leiden door de voorstelling van wat de anderen ervan zouden vinden als men een bepaald iets zou doen of laten. Hij verving het oog van God door de "onpartijdige" of "onzichtbare" toeschouwers. Ook in The Wealth of the Nations spreekt hij over een "onzichtbare hand", meerbepaald wanneer hij erop vertrouwt dat de zoektocht van alle mensen naar hun eigenbelang ("het voordeel ten opzichte van zijn buurman verzilveren") automatisch leidt tot de verwezenlijking van het algemeen belang. Uiteraard moest, toen Adam Smith dit schreef, de industriële revolutie nog goed beginnen. Het socialisme zou van zijn onzichtbare hand snel een opstandige en later nog een totalitaire vuist maken.
Het "onzichtbare" in Adam Smith's werk duikt slechts een enkele keer op om bijna ironisch aan te stippen dat de samenleving religieus is, maar niet noodzakelijk omwille van zijn godsdienst. Elke mens is namelijk voorzien van een indrukwekkend apparaat om signalen betreffende de heersende normen en waarden op te vangen en te interpreteren. Gericht op het materiële, om te leven en overleven, beweegt de mens van Adam Smith zich in een spiritueel netwerk dat de maat van de gemeenschap te kennen geeft, en waarbij de menselijke gevoelens de belangrijkste zenders en ontvangers zijn van ethische informatie.
God is niet afwezig in de ethiek van Adam Smith, wel integendeel: God maakte de mens zelf tot rechter van de mensheid, omdat de mens in zijn werelds bestaan hoe dan ook geleid moet worden. Ondanks of dankzij de afstandelijkheid van God, rekende Adam Smith op ultieme rechtvaardigheid, vertrouwde hij erop dat iedereen uiteindelijk zijn rechtmatige plaats zou vinden of toegewezen krijgen. De morele gevoelens zijn de belangrijkste bewerkstelligers van een wereldse spiritualiteit, die voor wereldse zaken niet rekent met God's genade. Adam Smith noemt God's oordeel wel superieur aan het oordeel van de mens, maar aangezien de mens bij leven het oordeel van God niet kan kennen of afleiden, is hij volledig aangewezen op een wereldse moraliteit. Het menselijk oordeel is slechts voorlopig, maar noodzakelijk en legitiem. Adam Smith huiverde vast en zeker voor een Inquisitie die oordeelt in de naam van God. De willekeur waarmee onschuldigen ongelukkig de dood ingestuurd werden om aan de wil van God tegemoet te komen, bevestigt Adam Smiths' beeld van een God die lijkt op Fortuna.
COINCIDENTIA OPPOSITORUM
Voor Spinoza is de link tussen moraliteit en gevoelens zo mogelijk nog sterker. "De kennis van goed en kwaad is een aandoening van blijheid en droefheid voorzover wij ons daarvan bewust zijn" (Ethica, IV, 8).
De opvatting dat de emoties getemperd moeten worden door rede, wordt ook bevestigd door Spinoza, maar alleen als dat betekent dat men zich in het gevoel verdiept, het herkent en het begrijpt. Het is niet de bedoeling dat de gevoelens ontkend, vermeden, onderdrukt of gekanaliseerd worden, evenmin dat men wacht tot de storm van emotie overgewaaid is alvorens tot zinnen te komen. Spinoza waarschuwt voor de gevoelens, maar juist wanneer men hun betekenis niet zoekt of herkent. "Er is geen voortreffelijker heelmiddel tegen de aandoeningen te bedenken, dat tevens in onze macht ligt, dan hun juiste kennis" (Ethica, V, 4). Het verstand wordt niet tegenover de gevoelens geplaatst, maar rijpt uit de kennis van de gevoelens.
Spinoza definieerde de meeste gevoelens in paren van tegengestelde gevoelens. Het gevoel is er als het ware altijd omwille van zijn tegengestelde gevoel. In het begin van het vijfde hoofdstuk van de Ethica, "De macht van het verstand", stelt Spinoza het volgende axioma: "Wanneer in eenzelfde voorwerp twee tegenstrijdige bewegingen worden opgewekt, moet noodzakelijk of in beide, of in een daarvan een verandering plaats grijpen, totdat zij ophouden tegenstrijdig te zijn." Impliciet geeft hij daarmee de aanzet tot een definitie van een emotie, zijnde de plotse confrontatie van twee tegengestelde gevoelens.
De normatieve gevoelstheorie van Adam Smith en de dialectische gevoelsdefiniëring van Spinoza zetten aan tot een wereldse spiritualiteit: een spiritualiteit van levende wezens die via de categorie van de gevoelens moreel verbonden zijn, als bestonden ze uit één lichaam. Het gewilde onderscheid tussen lichaam en geest, waarmee zowel religies als wetenschappen hun terrein afbakenen, vormt voor Spinoza geen probleem. Hij stelt dat "de geest verenigd is met het lichaam en het lichaam het voorwerp is van de geest" (Ethica, II, 21). Elk individu overstijgt het tijdelijke en het persoonlijke juist door de kennis van zijn gevoelens en emoties.
De emotie is goddelijk en stelt in elke persoon die haar voelt, het begrip van een cruciale keuze tussen wie men was en wie men wordt.
DE EMOTIE ALS GENIAAL MOMENT
Kan ik iets goddelijks noemen zonder in (de anekdotische, bijna theatrale figuur) God te geloven ? Zou ik zoals Spinoza de mogelijkheid openlaten om het oneindige en allesomvattende "ofwel God ofwel Natuur" te noemen, alsof men het scherpe onderscheid tussen de Schepper en de schepping even ongemoeid kan laten ? Zouden de intenties van de Schepper misschien niet onmiddellijk doorschemeren in de zin van de Schepping, de natuur, het leven ?
Het belang van Gods oordeel (nà het leven) voor Adam Smith en de intenties van de Schepper (voor het leven) voor Spinoza, zijn elkaar waard. Volgens Spinoza sterft de menselijke geest overigens samen met het lichaam. Wat de mate van onvermijdelijkheid en voorbestemdheid van de gebeurtenissen betreft, zijn ook de spirituele ideeën van Smith en Spinoza complementair. De mensheid moet recht en reden uit het leven zelf afleiden, als hing het ervan af.
In Profanazioni beschrijft de Italiaan Giorgio Agamben spiritualiteit als het voortdurende bewustzijn van een persoon met levenservaring, dat er nog een belangrijk deel leven komt.
Men hoeft niet in God te geloven om iets goddelijks te vinden, maar mijn God is de schepper van ideale omstandigheden waarin ik de minimale kracht die ik heb, maximaal kan benutten, en dan noem ik deze omstandigheden een buitenkans, én God is de schepper van de ideale omstandigheden waarin ik maximaal mijn krachten aanwendt om het uiterste minimum te bereiken, en dan noem ik deze omstandigheden een uitdaging. Door de geboden buitenkansen en uitdagingen verwezenlijk ik mezelf, en voel ik de mate van onvermijdelijkheid en de voorbestemdheid van mijn leven. Daarom heb ik eerder de emoties goddelijk genoemd, omdat ze de sterke signalen zijn dat de ideale omstandigheden om mezelf te verwezenlijken, er zijn. Ik moet immers kiezen om mezelf te blijven, in het licht van alles wat ik weet en niet weet.
Volgens de Duitse kardinaal Nicolaus von Keus (1440) is Schoonheid het samenvallen van het minimum en het maximum, het samenvallen van de tegenstelden, wanneer en waardoor het opvallende verschil wegvalt. De maat van het gevoel is dus zoals in de trappen van vergelijking, mooi-mooier-mooist, goed-beter-best. Met onze gevoelens meten we de schoonheid en de goedheid van werkelijk alles.
DE MORAAL IS DE ORDE EN EENHEID VAN HET GEVOEL
In die zeer lijvige en filosofische roman van hem, De man zonder eigenschappen, beschrijft Robert Musil (1942) de nauwe relatie tussen de gevoelens en de moraal.
"Elke moraal heeft voor haar eigen tijdsgewricht het gevoel slechts in zoverre geregeld, en binnen dat kader bovendien nog star, als bepaalde principes en basisgevoelens nodig waren om naar haar believen te kunnen handelen; de rest heeft zij echter aan het goeddunken overgelaten, aan het persoonlijke spel van de gevoelens, aan de vage bemoeienissen van de kunst en aan de academische debatten. De moraal heeft dus de gevoelens aangepast aan de behoeften van de moraal en heeft daarbij verzuimd ze te ontwikkelen, ofschoon zij zelf van ze afhangt. De moraal is immers de orde en eenheid van het gevoel." - Een grote gebeurtenis is in wording.
De mens en het gevoel dat hij heeft zijn nooit op zichzelf aangewezen. De voelende mens is het verhaal van alle mensen die hem omringen en van al zijn gevoelens die op elkaar inspelen.
"Wat een mens zelf doet en voelt is gering in vergelijking met alles waarvan hij moet uitgaan dat anderen dat op ordentelijke wijze voor hem doen en voelen. Geen mens leeft alleen in zijn eigen evenwicht, maar ieder steunt op dat van de lagen die hem omringen, en zo speelt in de kleine lustfabriek van het individu een hoogst ingewikkeld moreel krediet mee, waarop nog zal moeten worden teruggekomen omdat het niet minder tot de psychische balans van de gemeenschap dan tot die van het individu behoort." - Systemen van geluk en evenwicht.
"Van de grote ideeën van bijzondere mensen tot en met de kitsch die zo'n band schept tussen de volkeren, vormt datgene wat Ulrich de morele fantasie noemde, of eenvoudiger het gevoel, één enkel, eeuwenoud gistingsproces dat nooit uitgegist raakt. De mens is een wezen dat niet zonder enthousiasme kan leven. En enthousiasme is de toestand waarin al zijn gevoelens en gedachten dezelfde geest hebben. Jij denkt, bijna het tegenovergestelde, dat het de toestand is waarin een gevoel oppermachtig sterk is, één enkel gevoel dat - meegesleept zijn! - de andere gevoelens naar zich toe sleept ? Maar duurzaamheid verkrijgen de gevoelens en gedachten alleen door contact met elkaar, in hun geheel, zij moeten op de een of andere manier gelijkgericht zijn en elkaar meeslepen." - Een grote gebeurtenis is in wording.
"De morele norm is een beweeglijk evenwicht dat elk moment eist dat er aan zijn vernieuwing wordt gewerkt. (...) Langzamerhand voelt men de noodzaak om een moraal die al tweeduizend jaar telkens alleen wat details betreft aan de veranderende smaak is aangepast, een fundamenteel ander model te geven en in te ruilen voor een andere, die soepeler aansluit bij de beweeglijkheid der feiten." - De utopie van het essayisme.
DE EMOTIE VAN SALOMON
Elke emotie – gedefinieerd als het conflict tussen twee tegengestelde gevoelens – is een proces dat de enige, echte waarheid aan het licht moet brengen. Vaak gaat het over een dilemma vergelijkbaar met het oordeel van Salomon.
Het Eerste Boek van de Koningen (3: 16-28) vertelt over een geschil tussen twee vrouwen die net elk een kind gebaard hebben, maar waarvan één baby daarbij gestikt is. Ze betwisten dus het overlevende kind. Om de onenigheid op te lossen laat Salomon een zwaard aanrukken en ordonneert: “Hak het levende kind in twee stukken en geef aan elk een helft.” Eén van de vrouwen verklaart dat ze verkiest het kind af te staan eerder dan het opgeofferd te zien worden. De andere vrouw verklaart dat het kind “noch van mij noch van haar zal zijn” en gaat ermee akkoord het kind in tweeën te laten hakken. In haar herkent Salomon de valse moeder en hij geeft het kind terug aan de echte moeder. Het dilemma gesteld door Salomon bestaat uit twee maal twee tegengestelde voorstellen: ofwel is het kind van mij & levend, ofwel is het kind van haar & levend, ofwel is het kind van mij & dood, ofwel is het kind van haar & dood.
Mijn kind Overlevend kind
X
Haar kind Dood kind
Het wordt duidelijk dat de echte moeder kiest voor de minste pijn en dat de valse moeder kiest voor de meeste pijn. Terwijl de echte moeder wil verhinderen dat het kind sterft, probeert de valse moeder te verhinderen dat het kind wordt teruggegeven aan de echte moeder. Opmerkelijk is het feit dat de valse moeder ervan afziet het kind op te voeden. Wanneer haar deze gelegenheid wordt voorgesteld, verdraagt ze niet langer in leugen te leven.
Dat men de emotie soms irrationeel vindt, wordt begrijpelijk wanneer men haar beschouwt als een strategie om de waarheid uit te lokken en het ware van het valse te onderscheiden. Zo herbergt de morele emotie een drukkend dilemma: een argument dat twee maal twee voorstellen inhoudt, die de protagonist ertoe verplicht zich afwisselend in de ene en de andere rol te verplaatsen. De bedoeling van deze verwisseling is de natuurlijke orde van de voorstellen om te draaien teneinde zich te identificeren met de rol van de antagonist, deze te vergelijken met de vertrouwde functie en de logica en de gevolgen van een eventuele op handen zijnde mutatie beter te definiëren.
Voor de echte mama is het voornaamste dat het kind overleeft, niet dat het kind als het hare erkend wordt. We stellen vast dat ze reageert als een moeder die dreigt haar kind te verliezen. Ze identificeert zich nu met de tegenpartij. Deze laatste echter vindt geen rechtvaardigheid in de opvoeding van het overlevende kind. Ze identificeert zich dus niet met de voorgestelde rol maar verkiest een wrede en vernietigende wraak. Het voornaamste voor de moeder die eerder haar kind heeft verloren is dat men de wreedheid van haar lot erkent. Gezien de uitkomst van de verwisseling van de rollen leidt Salomon er de enige, « echte » waarheid uit af. Niet een DNA-test bewijst het moederschap maar het ontbreken van het gepaste gevoel bij de valse moeder wanneer men haar voorstelt het kind op te voeden, namelijk opluchting en voldoening.
Wanneer Spinoza het gevoel definieert als de overgang van minder naar meer volmaaktheid (blijheid) of van meer naar minder volmaaktheid (droefheid), dan dient de emotie om de juiste kwaliteit en kwantiteit van dat verschil te bepalen. In elk gevoel – of ze nu enkele ogenblikken of lange tijd duurt – verbeeldt men dus de mogelijke middelen en de respectievelijke gevolgen. Men probeert er het (minste) kwaad & het (meeste) goed uit af te leiden, alvorens met de « enige, echte » waarheid akkoord te gaan.
CANCELLATUS RESPECTUS
«Art, like morality, consists of drawing the line somewhere.» G. K. Chesterton
Een dilemma is een dwingende, onontkoombare keuze tussen normen & waarden. Een waarde (ten behoeve van de ontwikkeling van het individu) weegt op een norm (ten behoeve van de bescherming van de groep), of andersom. Het gaat om een kans-risico-berekening, een kantelmoment waarop vaak het minste kwaad bedacht wordt, enerzijds voor het individu, anderzijds voor de groep & tenslotte voor beiden.
In “Cancellatus respectus” (1954) stelt de Franse filosoof Pierre Hadot op basis van een klassieke tekst van de 4de eeuwse Romeinse filosoof Gaius Marius Victorinus, dat een dilemma een chiastische structuur heeft, & daaruit volgt dat het chiasme of kruisstelling als letterkundige stijlfiguur “een logische draagwijdte” heeft.Een dilemma is geen keuze tussen twee extremen, maar tussen twee evenwichten, zijnde 4 gewichten die in een dubbele balans gewikt en gewogen worden. Bij een moreel dilemma kruisen twee tegenstelde waarden onderling met twee tegengestelde normen, of 4 gevoelens uit respectievelijk een waardenpositief (W+), een waardennegatief (W-) , een normenpositief (N+) en een normennegatief (N-) veld.
Waardennegatief Normennegatief
x
Waardenpositief Normenpositief
Afhankelijk van de 3 mogelijke hiërarchische posities (onder, boven, even) vermenigvuldigd met de 3 mogelijke “meritocratische” beoordelingen (verdiend, meer of minder dan verdiend), kunnen 9 soorten dilemma’s onderscheiden worden. Hieronder worden telkens 4 gevoelens uit het dialectische systeem in zo’n kruisstelling gebracht & geactiveerd door passende werkwoorden in ietwat stellige axioma’s gegoten. De kruisstelling leest meestal ook in de omgekeerde richting, want soms wordt een waarde gecorrigeerd door een norm, soms wordt een norm gecompenseerd door een waarde.
Bij de 3 eerste dilemma’s van de bovengeschikte of meerwaardige posities, waardoor men veelal kan beschikken over het lot van anderen, namelijk over hun in- of uitsluiting van de groep, gaan vaak over de voorwaarden om iemands vertrouwen te winnen. Voor wat (solidariteit), hoort wat (inspanning).
1. Gevoelens: ambitieus (W-), bescheiden (W+), streng (N-), mild (N+). Kruisstelling: Men eist (N-) dat iemand zich opoffert (W+), als deze er naar streeft (W-) verwend (N+) te worden. Het dilemma gaat erover dat men iets door de vingers zou zien, wanneer men beter op de vingers tikt. Wie men te veel of te weinig verwent, zal zich niet langer opofferen of ambities koesteren.
2. Gevoelens: meewarig (W-), neerbuigend (W+), onuitstaanbaar (N-), verdraagzaam (N+). Kruisstelling: Men klaagt aan (N-) dat iemand zich of anderen redt of verlost (W+), als deze datgene loost (W-) wat geduld (N+) wordt. Het dilemma gaat erover dat men zich te weinig moeite getroost, als men beter trotseert of volhoudt, of dat men te veel moeite doet, wanneer men zich beter aan de kant zet. Dit dilemma is gekend als het freerider of vrijbuitersprobleem: als individuen het eigenbelang nastreven en zich zo weinig mogelijk inspannen, zijn ze achteraf samen slechter af dan wanneer ze het belang van de groep zwaarder hadden laten doorwegen. Iemands moreel gezag wordt doorgaans ontleend aan zijn of haar morele plicht of verantwoordelijkheid, de zwaksten te beschermen. De kapitein wordt geacht het schip als allerlaatste te verlaten, zoals de sterkste buffel steeds de kudde beschermt.
3. Gevoelens: leedvermakend (W-), medelijdend (W+), wedijverig (N-), liefdadig (N+). Kruisstelling: Men pest (W-) wie betutteld (N+) wordt, als men met deze wedijvert (N-) om medelijden (W+). Het dilemma gaat erover dat men een groepslid niet overbeschermt. Pesten is een weerbaarheidstest van de zwakste schakel, een stresstest van de groepsband, een demonstratie van zwakte waaruit de machtsverhoudingen moeten blijken. Het dilemma speelt op Indien emancipatie van de enen keert in discriminatie van anderen, of wanneer een opvallende of uitmuntende, individuele kwaliteit de bestaande groepsverhoudingen bedreigt. Het dilemma wordt kritiek wanneer er geen genade of barmhartigheid mogelijk is, omdat er bvb. maar plaats is voor één persoon, of omdat de ander nu eenmaal de oorlogsvijand is.
Bij de 3 volgende dilemma’s van de ondergeschikte of minderwaardige posities gaat het vaak over misbruik van vertrouwen & praktijken waardoor men in iemand vertrouwen verliest.
4. Gevoelens: arrogant (W-), eervol (W+), stoutmoedig (N-), braaf (N+). Kruisstelling: Men straft (N-) iemand die iets vereert (W+), als deze zo misprijst (W-) waarvoor men (doorgaans) beloond (N+) wordt. In dit soort dilemma staan twee beloningssystemen tegenover elkaar. Een handeling wordt beloond in het ene systeem en bestraft in het andere. Een systeem wordt op zich staand en onfeilbaar geacht, zodat kritiek op een gedeelte vaak opgevat wordt als een aanval op het geheel. Het is te nemen of te laten. Het dilemma wordt kritiek bij belangenvermenging, bij een botsing van culturen, supra- of subculturen, of wanneer men door de ene (bvb. professionele) plicht aan een andere (familiale) plicht moet verzaken.
5. Gevoelens: geïntimideerd (W-), gecharmeerd (W+), twistziek (N-), verzoend (N+). Kruisstelling: Men verwijt (N-) iemand zich te laten verleiden (W+), als deze zo datgene bedreigt (W-) waarmee men zich verzoent (N+). Het dilemma stelt zich wanneer men door in te gaan op de verleidelijke voorstellen van een andere partij, men de natuurlijke of vertrouwde groep in de steek dreigt te laten. Het is de essentie van de Verdeel & Heers strategie, die men actief kan gebruiken of passief ondergaan. Men probeert een wig tussen te drijven tussen compagnons, ze uit verband spelen. Essentieel is dan in hoeverre partners elkaar vertrouwen. Er stelt zich evenzeer zo'n dilemma wanneer men door zijn tussenkomst een twist kan veroorzaken, waarmee men eigenlijk niets te maken heeft.
6. Gevoelens: spotlustig (W-), toegewijd (W+), woedend (N-), zachtmoedig (N+). Kruisstelling: Men valt iemand aan (N-) die iets of iemand dient (W+), als deze zo spot (W-) met wie zich heeft opgegeven (N+). Door groepswerk voor eigenbelang te gebruiken, bespot men de toewijding van allen. Het dilemma stelt zich wanneer men zich afvraagt of dit soort misbruik het melden waard is, want de dader verziekt wel de teamspirit maar de melder of klikker kan ze definitief vernietigen.
Bij de 3 laatste dilemma’s van nevengeschikte of evenwaardige posities weegt men af hoe lang men meegaat in een verhaal dat zich als een boemerang kan keren. Hoe ver blijft men de stroom volgen als die een andere dan de beloofde of vermeende richting uitgaat ? Wat als de ingetrokken steun bovendien alle intussen verworven voordelen op de helling zet ? Hoe lang volg je een leider als die een andere koers begint te varen ? Wanneer is het beter zich te distantiëren, in eigen naam te spreken ? Wanneer maakt medeweten ook medeplichtig ? Wat als men wel iemands leed niet veroorzaakt heeft, maar wel kan stoppen ? Over het algemeen gaan deze dilemma’s over het behouden van vertrouwen.
7. Gevoelens: balorig (W-), bereidwillig (W+), opstandig (N-), gehoorzaam (N+). Kruisstelling: Men protesteert tegen iemand die wat aansticht of bezielt, als deze zo datgene verhindert waaraan men gehoorzaamt. Het dilemma stelt zich als de richtlijnen niet langer stroken met het oorspronkelijke engagement. Het dilemma werd wetenschappelijk onderzocht door Stanley Milgram, in een test waarbij proefpersonen elkaar (zogezegd) stroomstoten konden geven. Ondanks het feit dat een groot aantal proefpersonen spanningen te verduren krijgt, en velen tegen de proefleider protesteren, dreef een aanzienlijk percentage de stroomstoten nog op.
8. Gevoelens: boos (W-), welwillend (W+), strijdlustig (N-), verbonden (N+). Kruisstelling: Men bekampt (N-) wat iemand verdedigt (W+), als deze zo datgene verijdelt (W-) wat mensen tot elkaar verplicht (N+). Waarom zou men zich aan de regels houden als anderen ze aan hun laars lappen ? Het dilemma speelt ook in het verhaal van “les dégoûtants et les dégoûtés”, waar men door de kamp te verlaten vrij spel geeft aan de tegenpartij. Of wanneer men zich al dan niet voor een compromis engageert, men ofwel geïsoleerd of vernietigd dreigt te worden door de andere onderhandelaars, dan wel beschadigd wordt door de eigen achterban.
9. Gevoelens: verontwaardigd (W-), gunstig (W+), wraakzuchtig (N-), rechtvaardig (N+). Kruisstelling: Men vergeldt (N-) wat iemand (zichzelf of een ander) gunt (W+), als deze zo verbreekt (W-) wat (rechtvaardig) verdeeld (N+) is. Het dilemma gaat erover eerlijk te zijn, vooral wanneer men ongewild of onbewust in het voordeel komt. Eerlijkheid duurt het langst.
(x) Het Latijnse woord in de titel "cancellatus" (zoals in het Engels: canceled, doorkruist) wijst op de kruisstelling, en dat een dilemma weerlegd kan worden door omkering van de veronderstellingen (propositio) met de gevolgen (eventus).
DE MORELE DRIEVULDIGHEID
Onze gevoelens zijn zoals Nietzsche zou zeggen "waardeschattingen". Het is bij uitstek via de categorie van de gevoelens dat we communiceren over de morele kwaliteit van handelingen. Uiteraard variëren de normen naargelang de locale (bvb. Brazilië) of particuliere (bvb. voetbal) cultuur, maar de morele gevoelens zelf zijn universeel. De specifieke categorieën waar we de verscheidenheid aan morele gevoelens op een logische manier in kunnen onderverdelen, vertellen meer over de grondwetten van de moraal.
De moraal van een verhaal is nooit alleen een kwestie van wat hoort of niet (te moraliserend) of van wat moet of mag (te dogmatisch). Een pragmatische moraal gaat naast het moeten ook over het willen en kunnen.
De Duitse filosoof Emmanuel Kant zegt in Grondlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) dat een handeling een morele waarde heeft als deze omwille van de plicht geschiedt, maar verbindt aan deze plicht meteen het principe van het willen, namelijk de wil dat de gestelde handeling een algemene natuurwet wordt. Als een bepaalde handeling een bijzondere bedoeling dient of vernietigende gevolgen zou hebben indien iedereen ze uitvoerde, dan heeft ze geen enkele morele waarde. Kant creëert het concept dat de wil zelf een algemene wetgever is, en dat terwijl volgens hem alle voorafgaande moraalfilosofen over een eenzijdige, van hogerhand opgelegde plicht spraken. Hij is absoluut tegen de knechtschap van mensen.
Ook volgens Nietzsche (Voorbij goed en kwaad, 1886) wachtten de mensen vroeger tot hun Heer hun een goed of slecht cijfer gaf, overtuigd dat alleen de hogere klasse “waardenscheppend” was. Nietzsche pleitte daarom voor de soevereiniteit van elke persoon en noemde het middelmatige een vernedering van de persoonlijke wil tot macht. De ontwerper van der Über- und Untermensch – vaak uitgelegd als de inspiratie voor het arische ideaal - sprak in dat verband over een herenmoraal en een slavenmoraal. Hij merkte kritisch op dat een onafhankelijke geest die de wil had om alleen te staan, een gevaar betekende voor de algemene zaak, de gelijkheid of nog de “kuddenuttigheid”, en dat daarentegen in de redelijke, bescheiden, zijn plaats wetende, gelijkschakelende mentaliteit het de middelmaat der begeerten was die tot moreel aanzien kwamen. Nietzsche wees erop dat iedereen nu eens een heer dan weer een slaaf is en dat in elk type samenleving een voortdurende machtsdynamiek aan het werk is tussen herenmoraal en slavenmoraal. Niet enkel het moeten van hogerhand is dus waardenscheppend, maar ook het eigen willen en kunnen.
De configuratie van de drie werkwoorden kunnen-willen-moeten vormt de dynamiek van de moraal. Wat mogelijk, wenselijk en noodzakelijk is, bepalen samen de waarde van zekere handelingen in bepaalde omstandigheden. Wat men kan & wil maar niet moet, zal men immers anders beoordelen dan wat men moet & kan maar niet wil, of nog anders dan wat men moet & wil maar niet kan. Van de acht mogelijke combinaties tussen het mogelijke (kunnen), wenselijke (willen) en het noodzakelijke (moeten), is het ideale uiteraard dat men iets tegelijk wil, moet en kan.
Het derde werkwoord “kunnen” is misschien waar in de moraalfilosofie het minst over gesproken wordt, maar waar het altijd om draait. Volgens Kant heeft de mens in de natuur een doel op zich, namelijk om zich steeds te verbeteren. Als een persoon zijn speciale aanleg niet cultiveert dan is dit in strijd met het doel van de mensheid op zich, namelijk het verbeteren van de mensheid.
De morele drievuldigheid heeft zijn doorslag in de verschillende categorieën van gevoelsoorzaken (cfr. het dialectische systeem). In de categorieën van de persoonlijke gevoelens is het zo dat men wat men "kan" op zichzelf (interior) betrekt, wat men "wil" eerder op de ander (exterior) projecteert en wat men “moet" door de deelname (participatio) aan de gemeenschap wordt afgedwongen. In de categorieën van de cognitieve gevoelens spreekt het "kunnen" tot de verbeelding, zoals de "wil" een teken van betrokkenheid is & men van vastbeslotenheid getuigt door wat men "moet". In de categorieën van de relatiegebonden gevoelens tenslotte voelt men zich meerderwaardig door wat men « kan », minderwaardig door wat men zou willen, en evenwaardig door wat men elkaar verplicht is.
WERKWOORD PERSOONLIJK COGNITIEF RELATIONEEL
kunnen interior verbeelding meerwaardig
willen exterior betrokkenheid minderwaardig
moeten participatio beslissing evenwaardig
Naast hiërarchie is er in relaties nog een ander onderscheid van belang, namelijk het al dan niet bestaan van een bindende afspraak tussen de partijen. Ze maken het verschil uit in de eeuwige tweestrijd tussen gelijkheid en ongelijkheid, tussen eigenbelang en algemeen belang. Beide systemen zijn sociaal georganiseerd. Zoals in relaties met contract (Concordia) rechtvaardigheid kan bestaan als ieder krijgt wat hem toekomt, zo kan in relaties zonder contract (Imitatio) vrijgevigheid wederkerigheid genereren. Morele superioriteit wordt in relaties met contract doorgaans verpersoonlijkt door een rechter of een leider, wiens instructies men volgt en niet in vraag stelt. In relaties zonder contract, waar geen regels of wetten gelden en de persoonlijke kwaliteiten elkaar aanvullen of uitdagen, kan in principe iedereen een moreel standpunt innemen. Zo wordt het enorm gewaardeerd wanneer iemand in zekere omstandigheden zijn status overstijgt, wanneer “minderen” zich bijvoorbeeld opofferen of als “meerderen” zich over anderen ontfermen, en onverwachts vrijwillig doen wat niet “hoefde”, als het ware een ont-moeting.
Hoewel hiërarchie en allerhande contracten ontegensprekelijk belangrijk zijn voor een goede samenwerking en samenleving, zijn ze niet bepalend voor de morele waarde van handelingen. Moraal is een werkwoord, een drievuldigheid die nog bondig geformuleerd wordt door de Bulgaarse filosoof T. Todorov (De onvoltooide tuin, 2001), opgebouwd rond de eerste, tweede en derde persoon, 1. de autonomie van het ik, 2. de finaliteit van het jij en 3. de universaliteit van het zij, en zo samen aan onze sociale zelfontplooiing schaven. De morele gevoelens zorgen ervoor dat we ons gevoel voor goed & kwaad niet verliezen, dat we steeds aanvoelen wat de persoonlijke, relationele en universele bedoelingen zijn, het liefst in één goddelijk, spiritueel moment.
SCHULD & KREDIET
De definities van de 48 morele gevoelens die spelen in relaties zijn allen variaties op eenzelfde thema:
die <minder/meer/evenveel> <krediet/schuld> <geeft/neemt/krijgt> dan <mogelijk/wenselijk/noodzakelijk>.
Een praktische moraal toetst immers de mentale dimensie van het kunnen (het mogelijke), willen (het wenselijke) en moeten (het noodzakelijke) aan de concrete dimensie van het geven, nemen en krijgen. In de relaties zonder contract (die ongelijkheid en eigenbelang in de hand werken) staat het geven, nemen en krijgen van krediet centraal. In de relaties onder contract (die voor gelijkheid en algemeen belang ijveren) staat het geven, nemen en krijgen van schuld centraal.
Sinds de oudheid zijn schuld en krediet de morele referenties van twee verschillende maar complementaire sociaal-economische systemen. Zo maakt De Romeinse filosoof Seneca in De Beneficii (64 v.C) het onderscheid tussen "facturi" en "crediti". De eerste zijn "rekeningen" waarvoor men de kandidaat-schuldenaren zeer zorgvuldig uitzoekt. De tweede zijn giften waarvan men alleen het recht heeft terug te krijgen wat men vrijwillig teruggeeft; indien men immers van dat soort "leningen" iets terugverwacht vernietigt men bij voorbaat het gevoel van dankbaarheid.
In de relaties zonder contract is de referentie ‘krediet’. Wanneer men dat begrip uitbreidt met de connotaties van het Engelse ‘credit’: geloofwaardigheid, reputatie, goede naam, aanzien, invloed, gezag en eer, wordt het een volwaardige morele referentie. In sommige onderstaande definities heb ik deze connotaties tussen haakjes gezet wanneer ze daar meer op hun plaats zijn:
die minder krediet neemt dan mogelijk: bescheiden
die minder krediet krijgt dan mogelijk: medelijden
die minder krediet geeft dan mogelijk: zielig
die meer krediet neemt dan mogelijk: ambitieus
die meer krediet (eer) krijgt dan mogelijk: afgunstig
die meer krediet (eer) geeft dan mogelijk: neerbuigend
die evenveel eer neemt-geeft-krijgt als mogelijk: barmhartig
die evenveel oneer neemt-geeft-krijgt als mogelijk: "leedvermakend"
die minder krediet (aanzien) neemt dan wenselijk: aardig
die minder krediet (invloed) krijgt dan wenselijk: toegeeflijk
die minder krediet (gezag) geeft dan wenselijk: intimiderend
die meer krediet (gezag) neemt dan wenselijk: arrogant
die meer krediet krijgt dan wenselijk: koppig
die meer krediet (eer) geeft dan wenselijk: charmerend
die evenveel eer neemt-geeft-krijgt als wenselijk: toegewijd
die evenveel oneer neemt-geeft-krijgt als wenselijk: spottend
die minder krediet neemt dan noodzakelijk: onbaatzuchtig
die minder krediet krijgt dan noodzakelijk: ondankbaar
die minder krediet geeft dan noodzakelijk: kwaadwillig
die meer krediet neemt dan noodzakelijk: inhalig
die meer krediet krijgt dan noodzakelijk: dankbaar
die meer krediet geeft dan noodzakelijk: welwillend
die evenveel eer neemt-geeft-krijgt als noodzakelijk: vrijgevig
die evenveel oneer neemt-geeft-krijgt als noodzakelijk: verontwaardigd
In de relaties onder contract wordt de morele referentie eerder negatief gesteld. Het beladen woord 'schuld' is geen katholiek, Westers 'prerogatief’ maar een bindmiddel in elke samenleving wereldwijd.
die minder schuld op zich neemt dan mogelijk: onuitstaanbaar
die minder schuld krijgt dan mogelijk: genadig
die minder schuld geeft dan mogelijk: mild
die meer schuld op zich neemt dan mogelijk: tolerant
die meer schuld krijgt dan mogelijk: wreed
die meer schuld geeft dan mogelijk: streng
die evenveel schuld neemt-geeft-krijgt als mogelijk: menslievend
die evenveel boete neemt-geeft-krijgt als mogelijk: wedijverig
die minder schuld op zich neemt dan wenselijk: achteloos
die minder schuld krijgt dan wenselijk: verzoenend
die minder schuld geeft dan wenselijk: braaf
die meer schuld op zich neemt dan wenselijk: scrupuleus
die meer schuld krijgt dan wenselijk: twistziek etc.